Inzicht
Goed gevonden worden betekende lange tijd: weten op welke zoekwoorden je scoort en wie er boven je staat. Dat beeld klopt nog, maar het is onvolledig geworden. Google bouwt AI dieper in Search in, en klanten stellen hun vraag intussen ook rechtstreeks aan ChatGPT en andere systemen. De relevante vraag wordt dan: wie wordt genoemd, bij welke commerciële vraag, naast wie — en op basis van welke bronnen?
Vraag een ondernemer of zijn bedrijf goed vindbaar is, en het antwoord gaat vrijwel altijd over Google. We staan goed op onze merknaam. Op die productcategorie zitten we op pagina één. Onze dealers staan er ook tussen.
Nuttige informatie. Alleen is het niet meer het hele verhaal.
Dezelfde potentiële klant kan zijn vraag vandaag op verschillende plaatsen stellen: klassiek in Google, in een AI Overview, in AI Mode, aan ChatGPT, aan Gemini of Perplexity. En in die omgevingen volstaat de vraag “waar staat onze website?” niet meer. De vraag wordt: welke merken komen in het antwoord terecht, bij welke vraag, naast welke concurrenten — en op basis van welke informatie?
Dat lijkt een nuance. Het is het niet. Het verandert wat je moet onderzoeken.
Eerst iets wat ik graag rechtzet, want rond AI-vindbaarheid groeit intussen een industrie die sneller nieuwe termen verzint dan iemand kan aantonen wat die termen meten. SEO is niet dood. Google zegt zelf dat de klassieke SEO-basis relevant blijft voor zijn AI-features, en dat er geen aparte technische vereisten bestaan om in AI Overviews of AI Mode te verschijnen. Een degelijke, indexeerbare website met nuttige content is dus niet plots waardeloos geworden omdat iemand het woord GEO heeft uitgevonden.
Wie beweert dat alles opnieuw moet omdat er nu GEO bestaat, mag vooral eerst aantonen waarom.
Wat wél veranderd is: hoe zo’n antwoord tot stand komt. Google beschrijft dat AI Mode en AI Overviews meerdere gerelateerde zoekopdrachten kunnen uitvoeren om één antwoord samen te stellen, en dat de bronnen die daarbij naar boven komen niet identiek hoeven te zijn aan wat een klassieke resultatenpagina toont. ChatGPT Search werkt weer anders: OpenAI beschrijft dat een gebruikersvraag herschreven kan worden naar een of meer gerichte zoekopdrachten, en dat publieke websites in die resultaten kunnen verschijnen wanneer ze toegankelijk zijn voor de relevante crawler.
Daarom behandel ik die omgevingen niet alsof ze samen één nieuwe zoekmachine vormen. Een positie in Google is één waarneming. Een vermelding in ChatGPT is een andere. Een bron die Gemini gebruikt, nog een andere. Ik wil ze naast elkaar kunnen leggen, niet op voorhand samenvegen.
Dat maakt ook het begrip concurrent ruimer. Je concurrent is niet noodzakelijk het bedrijf dat één plaats hoger staat op een zoekwoord. Het kan de fabrikant zijn die rechtstreeks genoemd wordt. Een distributeur die als bron dient. Een retailer die zijn productinformatie beter ontsluit. Een nichewebsite die één onderwerp gewoon duidelijker uitlegt. Of een merk dat er in klassieke rankings bescheiden bijstaat, maar bij één specifieke commerciële vraag systematisch in het antwoord opduikt.
Systematisch — dat woord doet het werk. Eén vraag stellen aan één AI-model en daaruit besluiten dat je “goed scoort in AI” is geen meting.
Het is een screenshot.
Alleen: het omgekeerde is even waar. Dezelfde vraag vijftig keer stellen en er een percentage op kleven, maakt het nog geen wetenschap. Voor je iets zinnigs kunt aflezen, moet je vooraf beslissen wat je probeert te meten. Welke commerciële intentie? Welke markt, welke taal, welk merk? Welke omgeving? Wat telt als een vermelding, en wat doe je met variatie tussen runs? En vooral: welke van die keuzes zijn onderbouwd, welke zijn redelijke werkafspraken, en welke zijn hypotheses die je later moet durven bijstellen?
Pas daarna heeft een dashboard zin.
Het is ook waarom ik wantrouwig word van één groot “AI visibility score”-cijfer. Google, ChatGPT, Gemini en Perplexity zijn geen vier filialen van hetzelfde systeem. Ze eerst afzonderlijk meten en daarna met willekeurige gewichten in één percentage gieten, levert vooral schijnprecisie op.
Een cijfer met twee decimalen is daarom nog geen feit.
Wat ik wél wil kunnen zien, is concreet. Hier worden we gevonden. Hier worden we niet genoemd. Hier komt een concurrent telkens terug. Hier blijkt een dealer of een externe publicatie belangrijker dan onze eigen website. En hier ontbreekt informatie die wij eigenlijk beter zouden kunnen aanbieden dan wie dan ook.
Dan wordt vindbaarheid opnieuw een zakelijke vraag in plaats van een SEO-rapport. Niet het zoveelste kanaal waarvoor plots extra content geproduceerd moet worden, maar de vraag hoe een potentiële klant van een probleem naar een shortlist komt — en welke informatie onderweg bepaalt of jouw merk daar überhaupt tussen zit.
Dat Google in juni 2026 bij een deel van de websites begonnen is met het testen van aparte rapportering voor generatieve AI-features in Search Console, zegt op zijn minst iets over hoe serieus die ontwikkeling genomen wordt. Maar ook daar geldt dezelfde discipline: meten wat werkelijk beschikbaar is, niet meer claimen dan de data toelaten, en niet vergeten waarom je meet.
De vraag die ik vandaag naast de klassieke rankingvraag leg, is deze: voor welke commerciële vragen verschijnen we in het antwoord, wie verschijnt er naast ons, en op basis van welke informatie?
Wie dat kan beantwoorden, weet meer over zijn markt dan wie alleen zijn posities kent.